Toelichting zoeken

U doorzoekt hier de complete collectie van het Westfries Archief.
Klik op de info-knop boven de zoekbalk voor tips bij het zoeken. 

Voor bouw- en hinderwetvergunningen hebben we een speciale zoekpagina.

Wilt u de originele stukken raadplegen die u heeft gevonden? Vraag het stuk dan aan via de knop Aanvragen en kom langs tijdens onze openingstijden. Meer uitleg over het aanvragen van stukken vindt u hier.

Uw zoekacties: Stede en gemeente Grootebroek, 1364-1949

1107 Stede en gemeente Grootebroek, 1364-1949

Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen

Wildcards kunnen het zoeken vergemakkelijken:

  • Een ? (vraagteken) vervangt een letter
  • Een * (sterretje) vervangt een aantal letters
  • Door een $ (dollarteken) voor een zoekterm te zetten, zoekt u naar woorden die op elkaar lijken.

Meer zoektips vindt u hier.

beacon
 
 
Inleiding
Geschiedenis van de archiefvormende instellingen
Geschiedenis van het archief en verantwoording van de inventarisatie
Inventarissen
2.13. Bijlagen
2.13.1. Regestenlijst
36 Philips van Bourgondië, graaf van Holland, verklaart dat de kloosters in Holland, Zeeland en West-Friesland hun bezit dermate sterk uitbreiden dat zij, indien men dat toestond, binnen enkele jaren het grootste deel van de landen aldaar zouden bezitten. Hij heeft daarom advies gevraagd aan onder meer de goede steden en zijn raad. Ofschoon een vertegenwoordiging van de kloosters de aanbevelingen heeft afgewezen heeft het convent van het Sinte Elisabettenhuys te Groitebroec verzocht hem de bepalingen van het advies te gunnen. Deze luiden als volgt:
een non zal persoonlijk geen erfenis mogen aanvaarden. Het klooster mag jaarlijks voor hoogstens 100 mark zilvergeld aan renten uit onroerende goederen en schuldbrieven ontvangen, en wel voor 100 gouden Engelse nobels uit West-Friesland en de rest uit bezittingen buiten West-Friesland maar binnen Holland of Zeeland gelegen, dat alles indien zich minstens 50 personen in het klooster bevinden. Aangezien het klooster momenteel niet tot het genoemde bedrag gegoed is wordt toegestaan dat elke vrouw die haar intrede doet haar bezittingen inbrengt. Voor zover de vrouw geen kinderen of kleinkinderen heeft zal het klooster de goederen, die het niet kan gebruiken, binnen een jaar moeten verkopen; 1/3 deel van de opbrengst moet in landsobligaties worden belegd, het overige staat ter vrije beschikking. In het andere geval zullen de (klein-)kinderen haar lenen en 2/3 deel van de goederen ontvangen, terwijl 1/3 deel aan het klooster toekomt. Het klooster is verplicht van de goederen van elke vrouw die intreedt een inventaris te maken, voor zover er althans nog geen authentieke inventaris is gemaakt, en deze ter beschikking van de erfgenamen te stellen. Het klooster heeft van de goederen het vruchtgebruik, maar de helft zal na de dood van de vrouw aan de erfgenamen toevallen. Als het klooster echter gegoed is dan keert het gehele bezit terug naar de erfgenamen van de betreffende kloosterlinge.
82 Het Hof van Holland verklaart dat Jan Cornelisz. en Jacob Sijbrantsz., hoofdlieden van Grootenbrouck, te kennen hebben gegeven dat zij en alle ingezetenen van ouds het recht bezitten om grond ter reparatie van de dijk binnen een afstand van 15 roeden van de dijk te delven, zonder daarvoor zoodgeld te betalen, doch dat zekere Remmert Heertgens, wonende aan de Noorderdijk, hen voor dijkgraaf en heemraden van Drechterland heeft gedaagd en zoodgeld eist van 415 roeden land, gelegen binnen 15 roeden van de dijk, vanaf het jaar 1571. Deze hebben de zaak aanvankelijk verwezen naar Claes Pietersz. Heynes van Grootebrouck, Cornelis Broersz. en Meynert Pietersz. van Bouvencarspel, die op 27 augustus 1581 beslisten dat partijen zich moesten houden aan het vonnis in 1571 door dijkgraaf en heemraden gewezen. Op 21 oktober d.a.v. bepaalden de laatsten dat de supplianten binnen 14 dagen afschrift van het genoemde vonnis, ofwel een verklaring van een neutrale persoon, inhoudende dat zij van de betaling van zoodgeld waren vrijgesteld, moesten tonen, of anders verplicht waren zoodgeld te betalen. Aangezien het betreffende register verloren was gegaan hebben de supplianten daarop een attestatie overgelegd, en hoewel dat voor dijkgraaf en heemraden voldoende had moeten zijn om de eiser zijn eis te ontzeggen hebben zij op 28 november gevonnist, dat zij gehouden waren zoodgeld te betalen. Daarop hebben zij zich tot het Hof van Holland gericht, dat nu zijn eerste deurwaarder beveelt Remmert Heertgens te dagvaarden.
Aangehecht het verslag van de deurwaarder. Zegel afgevallen. Inv.nr. 504.
95 Jan Claesz. Jongejan, eiser voor het Hof van Holland, verklaart dat hem indertijd door burgemeesters en regeerders van Grotebrouck, gedaagden, toestemming is verleend om een herberg te drijven, wat hij 12 jaar heeft gedaan. Verleden jaar heeft hij zijn herberg "Het roode hart" verkocht om zijn nering in de herberg "De drie vlesschen" voort te zetten. Dit is hem door gedaagden verboden, waarop hij zich driemaal met een request tot Gecommitteerde Raden van West-Friesland en het Noorderkwartier heeft gericht; na de derde maal hebben zij beschikt om de zaak naar de competente rechter te verwijzen. Op 6 mei 1619 is hij door schepenen van Grotebrouck veroordeeld tot een boete van 17 pond. Hij acht dit vonnis ongeldig om redenen dat de schepenen ook de betreffende keuren hebben vastgesteld, zij de helft van de boeten ontvangen, en hij niet door hen is gehoord. Voorts voert hij aan dat de toestemming hem indertijd is verleend op een tijdstip dat er in Boevencarspel meer herbergen waren dan tegenwoordig, en tenslotte dat het vonnis de schijn wekt alsof hij zijn nering niet goed zou hebben gedreven.
De gedaagden verklaren dat de herberg "Het roode vliegende hart" in 1612 door Geerte Joostendr. voor fl. 3000 is verkocht aan Sijvert Claesz. en Lijsbeth Dignusdr., echtelieden, die haar weer aan de eiser verkochten. Deze heeft de herberg in 1619 overgedaan aan Dignum Sijvertsdr. voor fl. 3900. Daarna heeft eiser van Sijmon Gerritsz. Schroor het huis "De drie vlesschen" gekocht, dicht bij de eerstgenoemde herberg gelegen, waarbij hij de verkoper verzocht te verklaren dat het huis reeds jaren als herberg in gebruik was. Sijmon Gerritsz. heeft dat echter niet in het koopcontract willen opnemen. Ofschoon eiser wist dat hij voor het drijven van een herberg toestemming nodig had van gedaagden heeft hij het huis gekocht. De inwoners van Boevencarspel hebben daarop gedaagden verzocht geen toestemming te verlenen.
121 Agatha Maalsons, weduwe van Abraham de Velaar van Enchuysen, erfgename van mr. Dirck van Wijdenesse, alias Baans, transporteert aan de officier Simon van Veen en de burgemeesters der stede Grootebroeck het erfelijke recht op het haardstedegeld, te weten van Grootebroeck over 129, Bovencarspel over 142, Lutjebroeck over 52 1/2 en Hoogcarspel over 58 1/2 haardsteden, bedragende van elke haardstede 2 stuivers, welk recht mr. Dirck van Wijdenesse alias Baans had verkregen van de heer van Wimmenum, deze van Claes Corf, heer van Boshuysen, en deze van Philips van Bourgondië.
1107 Stede en gemeente Grootebroek, 1364-1949
2. Inventarissen
2.13. Bijlagen
2.13.1. Regestenlijst
121
Agatha Maalsons, weduwe van Abraham de Velaar van Enchuysen, erfgename van mr. Dirck van Wijdenesse, alias Baans, transporteert aan de officier Simon van Veen en de burgemeesters der stede Grootebroeck het erfelijke recht op het haardstedegeld, te weten van Grootebroeck over 129, Bovencarspel over 142, Lutjebroeck over 52 1/2 en Hoogcarspel over 58 1/2 haardsteden, bedragende van elke haardstede 2 stuivers, welk recht mr. Dirck van Wijdenesse alias Baans had verkregen van de heer van Wimmenum, deze van Claes Corf, heer van Boshuysen, en deze van Philips van Bourgondië.
Datering:
1679 november 22
NB:
Zegels afgevallen.
134 Burgemeesters, vroedschappen en regeerders van Grootebroek hebben een request ingediend bij de Staten van Holland en West-Friesland, inhoudende, dat hertog Philips van Bourgondië op 4 augustus 1449 octrooi heeft verleend om ten behoeve van de aanleg van de Broeker haven zogenaamd sluisgeld te heffen, hetwelk tegenwoordig behalve aan het onderhoud van de haven, de vijf bruggen aldaar, de zeesluis en de binnenkolk, bovendien wordt besteed aan het onderhoud van 400 roeden binnenkanaal, 500 roeden straatweg, het rad, het Oude Mannenhuis, de huizen van twee dienaars van de justitie, vier torens met hun uurwerken, vier brandspuiten, de tractementen van de secretaris, bode, burgemeestersdienaar, zeven schoolmeesters, vier vroedvrouwen, en vier klapperwachten; dat voorts in 1728 de zeesluis, die zwaar was beschadigd door de paalworm, voor 20.000 gulden is vernieuwd, welk bedrag gedeeltelijk wordt afgelost uit de inkomsten van het sluisgeld; dat ofschoon de.hoogte van de belasting zeer redelijk is een aantal inwoners deze weigert te betalen, zodat men verzoekt om de belasting zonodig bij parate executie te mogen invorderen. Voorts delen zij mee dat ze in 1600 en voor het laatst op 22 november 1708 octrooi hebben ontvangen om gedurende 15 jaar ten behoeve van het onderhoud van brandgereedschap en het herstel van brandschade, van de bewoners van elk huis zogenaamd emmergeld te heffen, welke belasting later evenals het sluisgeld ten dele aan bovengenoemde zaken is besteed. Aangezien in 1750 het weeshuis, 30 huizen en 4 schuren zijn verbrand, verzoekt men vernieuwing van dit octrooi. Men benadrukt dat het de enige belastingen zijn die de burgers worden opgelegd en samen nog geen 1500 gulden bedragen. De Staten staan op het request toe dat gedurende 15 jaar ten behoeve van voormelde zaken sluisgeld wordt geheven ten bedrage van resp. maximaal 30, 15 en 5 stuivers van resp. de vermogende, middelbaar vermogende en minvermogende burgers, en eveneens gedurende 15 jaar brandemmergeld

Kenmerken

Datering:
1364-1949
Datering:
1364-1949
Beschrijving:
Stede Grootebroek, Dorp Grootebroek, dorp Bovenkarspel, dorp Lutjebroek, gemeente Grootebroek, Burgerlijk Armbestuur Grootebroek, Levensmiddelenbedrijf Grootebroek, Werkloosheidscommissie Grootebroek, Woningbouwvereniging 'St. Jozef' , college van Landrijken van Grootebroek, Lutjebroek en Bovenkarpsel
Plaats:
Grootebroek
Soort archief:
overheid
Omvang:
26,815 m
Openbaar:
Ja
Auteur:
W. Brieffies (1985, 1997)
 
 
 
chat loading...