Maatregelen Corona-virus

De overheid heeft nieuwe maatregelen afgekondigd om de verdere verspreiding van het Corona-virus tegen te gaan. Het Westfries Archief heeft besloten om de studiezaal te sluiten, in ieder geval tot en met 29 april. Ook cursussen, lezingen en andere groepsactiviteiten gaan in deze periode niet door.
Lees meer...

Westfriese bronnenmatrix voor onroerend goed

U kunt de bronnenmatrix ook hier bekijken.

Handleiding bij de Westfriese bronnenmatrix voor huizen en landerijen van vóór ca. 1850
Het Westfries Archief heeft als een van zijn doelstellingen het bevorderen van historisch onderzoek naar de vele archieven die het beheert. Echter loopt menig onderzoeker tegen een gebruikelijke horde aan: gebrek aan overzicht van beschikbaar bronnenmateriaal. Ook kan het voorkomen dat de beschrijving van de bronnen verouderd, onvolledig of niet-accuraat is. Door deze en andere oorzaken blijft rijke informatie verscholen in archiefdozen, ongeduldig wachtend op de onderzoeker die het ter hand neemt en nieuw leven inblaast.

De bronnenmatrix voor huizen en landerijen beoogt onderzoekers naar stads- en/of dorpsgeschiedenis handvatten te bieden in de zoektocht naar informatie over onroerend goed van vóór 1850. Sinds de invoering van het kadaster in 1832 is het namelijk relatief eenvoudig om dergelijke informatie te vinden: het uniforme systeem met landelijke dekking maakte een einde aan lokale diversiteit in administratie van onroerend goed. Aangezien de ‘prekadastrale’ administraties soms nog jarenlang parallel hebben bestaan náást het kadaster, biedt dit in sommige situaties mogelijkheden percelen aan elkaar te koppelen. In dat geval is het in theorie mogelijk tot ver vóór 1832 terug te reizen in de tijd. Dit vergt het nodige puzzelwerk maar voor diverse Westfriese steden en dorpen bestaan er goede mogelijkheden.

De bronnenmatrix wil de onderzoeker op weg helpen door een zo compleet mogelijk overzicht aan te bieden van al het in het Westfries Archief beschikbare bronnenmateriaal m.b.t. onroerend goed. Alle archieven waar zich mogelijkerwijs relevante informatie schuilhoudt zijn intensief nagelopen. Vervolgens zijn alle bronnen inhoudelijk bekeken en gecategoriseerd volgens een uniform format. De officiële beschrijving van bronnen (in de archieftoegang) is dan ook bewust buiten beschouwing gelaten, datzelfde geldt voor de eventuele beschrijving die de opstellers van de bronnen zelf hebben gehanteerd. Het kan dus voorkomen dat een stuk dat geïnventariseerd staat als kohier door de oorspronkelijke opsteller een stikboek wordt genoemd, terwijl het in archivistische zin om een legger gaat. Een beschrijving van de begrippen zoals gehanteerd bij de inventarisatie vindt u onder ‘gebruikte begrippen’. Het is aan de onderzoeker zelf om scherp te blijven op het onderscheid en zich bewust te zijn van de verschillende benaderingen in heden en verleden.

Bij het analyseren en van bronnen is het eveneens zaak het oorspronkelijke gebruiksdoeleinde te weten. Alle onroerend goed-bronnen hebben betrekking op één of meerdere belastingheffingen. Over de gehele periode 1500-1850 zijn de verponding en de ambachtsheffingen de meest voorkomende belastingen. De verponding was een heffing waarmee algemene zaken werden gefinancierd zoals landsverdediging, bestuur en de afdracht aan de landsheer. Hoewel de verponding een gewestelijke heffing was, is deze goed te vergelijken met de hedendaagse OZB die door gemeenten wordt geheven over de waarde van huizen en landerijen. Landeigenaren betaalden naast de verponding ook belasting aan het ambacht, oftewel het waterschap. Voorbeelden zijn het molengeld voor de bemaling van de polder en dijkgeld voor het onderhoud van de Omringdijk. Daarnaast droegen zij bij aan het onderhoud van de Hondsbossche zeewering bij Petten. Bij verkoop of vererving van een huis of land betaalde men overdrachtsbelasting, tot aan ca. 1800 de 20e of 40e penning. Incidentele belastingen, voor de aanvulling van een begrotingstekort of acute financiering van een oorlog, waren onze voorouders ook niet vreemd. Bekende voorbeelden zijn de 10e penning en het haardstedengeld.

Naast kennis over het gebruiksdoeleinde is het noodzakelijk in ogenschouw te houden dat de onroerend goed-gegevens in de periode 1500-1800 een zeer statisch karakter hebben. Informatie bleef soms jaren, decennia of zelfs eeuwen onveranderd omdat er vanwege de hoge kosten zelden een hertaxatie van de belastbare waarde plaatsvond, evenals de opmeting van oppervlakten en beoordeling van grondkwaliteit. Daarom kan het voorkomen dat zaken als herverkaveling en aanwinning of verlies van land aan het zicht van de hedendaagse lezer onttrokken blijft. Deze omstandigheid is een potentieel struikelblok bij het gebruik van de gegevens: men kan niet blindvaren op de correctheid ervan. Een andere complicatie is het verschil tussen de prekadastrale landmaten en de kadastrale maat. Het is niet mogelijk om de ‘morgen en roeden’ met een vaste factor een-op-een om te rekenen naar een vierkante meter.

In het verlengde van noodzakelijke kennisvergaring van de verschillende typen bronnen, is het relevant te weten door wie de belasting werd geïnd. Zowel de inning van verponding als de ambachtslasten was een taak van het dorps- of stadsbestuur. Zij deden dit over alle huizen en landerijen die gelegen waren binnen de grenzen van de ‘banne’. Deze grenzen liepen gelijk aan de parochiegrenzen en veranderden slechts zelden. De scheidslijnen bleven ook intact bij de invoering van de gemeenten na de Bataafs-Franse tijd. Bij de kadastrale opmeting zijn eveneens de bannegrenzen aangehouden, zij het soms opgedeeld in verschillende secties. De heffing van de overdrachtsbelasting was een verantwoordelijkheid van een stad of stede. Soms had één banne een eigen stadsrecht, zoals bij Schellinkhout en Spanbroek, maar in de meeste situaties vormden meerdere bannen samen een stede. De stede Abbekerk bijvoorbeeld bestond uit de bannen Abbekerk, Lambertschaag, Twisk en Midwoud. Diverse Westfriese bannen vielen onder het gerechtsgebied van de steden Hoorn of Medemblik, Enkhuizen had ook een stadsrecht maar haar jurisdictie was beperkt tot de eigen bannegrens. In de matrix is bij iedere banne de juridisch-bestuurlijke indeling vermeld.

Ten aanzien van een aantal bannen bestaan uitzonderingssituaties, deze staan aangegeven onder de begrippenlijst. Ook vindt u daar een toelichting op de indeling van de matrix. Zie voor meer achtergrondinformatie over al de hierboven beschreven onderwerpen de literatuurselectie. 

Gebruikte begrippen
Oorspronkelijke Aanwijzende Tafel
In de OAT is de beginsituatie van het oudste kadaster opgenomen: opgesteld in 1832 nadat in de jaren daarvoor van alle percelen in Nederland de oppervlakte (in de nieuwe metrieke maat) was opgemeten en de eigenaar, grondaard, grondkwaliteit en belastbare waarde was geregistreerd. De in de OAT opgenomen informatie mocht na de officiële invoering van het kadaster niet meer worden gewijzigd, zodat er altijd kon worden teruggevallen op één ijkpunt in het verleden.

Kadastrale leggers
Van iedere onroerendgoed-eigenaar in 1832 werden de verschillende bezittingen opgesomd in een kadastrale (of perceelsgewijze) legger. Hierin werden ook mutaties bijgehouden zoals verkoop, aankoop, opdeling of vererving van bezit.

Legger
Daar waar in algemene zin wordt gesproken over een legger wordt een niet-kadastrale bron bedoeld waarin overzichtsstaten van onroerend goed zijn geadministreerd, meestal op het niveau van eigenaar. De informatie weergeeft een situatie zoals die op een zeker moment bestond en voor onbepaalde tijd is vastgelegd. Een legger dient kortom als een centrale administratie met gegevens waarop een individuele heffing kan worden gebaseerd. Meestal is hierin de oppervlaktegrootte en belastbare waarde van objecten opgenomen. Een essentieel kenmerk van een legger is dat er ook mutaties in zijn bijgehouden over een langere periode, al is dat niet een noodzakelijke voorwaarde.

Kohier
Aan de hand van leggers werden kohieren vastgesteld: hierin staat de per eigenaar verschuldigde belasting. Meestal heeft een kohier betrekking op één (dienst)jaar, de inning kan echter wel over een langere periode plaatsvinden.

Gaarboek
Soms staat in een kohier ook geadministreerd of een persoon al dan niet betaald heeft, maar hier kan ook een zogeheten gaarboek voor zijn gebruikt.

Registers
In een register zijn de afschriften van bescheiden bijgehouden, bijvoorbeeld de gegevens van een overdrachtsbelasting. In de bronnenmatrix is zijn dit registers van de 20e penning (successie) en/of 40e penning (verkoop) over onroerend goed.

Overige bronnen
Niet alle bronnen die verband houden met onroerend goed zijn direct onder een van de hierboven vermelde categorieën te plaatsen. In veel gevallen betreffen het kohieren van incidentele belastingen waarvoor niet iedere huis- en/of grondeigenaar in de banne voor werd aangeslagen. Voorbeelden zijn stoelboeken van één of meerdere wegen, het haardstedengeld (voor huizen met een schoorsteen), kohieren van nieuw getimmerde huizen of kohieren van deuren en vensters. Omdat dergelijke bronnen soms ook zeer waardevolle informatie bevatten zijn deze als aparte categorie opgenomen in de matrix.

Praktische toepassing
Hieronder ziet u twee willekeurige fragmenten van de matrix. Voor iedere banne is een tabelvorm opgenomen welke bronnen beschikbaar zijn en welke periode zij beslaan. Onder de tabel is ook nog een tekstuele uitwerking hiervan opgemaakt (G). Linksboven (A) staat aangegeven of de banne (vóór de invoering van de gemeenten) een zelfstandig bestuur had en onder welk gerechtsgebied deze viel. Daaronder (B) zijn de kadastrale secties vermeld waarin de banne is opgenomen in het kadaster. Dit is noodzakelijke informatie bij het leggen van verbindingen met het oudste kadaster. In de legenda (C) staat een beknopte omschrijving van het letter- en kleurgebruik. Omdat de tijdvakken van de matrix zijn opgedeeld in perioden van 10 jaar kan het voorkomen dat meerdere bronnen onder dit tijdvak horen, om deze te onderscheiden van bronnen die slechts op één jaartal betrekking hebben zijn verschillende kleuren gehanteerd. Aan de hand van dezelfde kleuren kunt u de tijdspanne van een of meerdere bronnen herleiden: bijvoorbeeld als een serie kohieren gezamenlijk een langere periode beslaan. Bij sommige bronnen, vaak leggers, is niet bekend in welk jaartal mutaties zijn aangebracht, in dat geval is dat ook aangegeven. Bij D staat het overzicht aangegeven van de archieftoegangen, in de matrix zelf (E) zijn steeds de nummers van deze toegangen als eerste vermeld, gevolgd door het inventarisnummer van de bron. Eventuele opmerkingen over de bron vindt u uitgewerkt bij F. Op de afbeelding ziet u aldaar ook de rij met tabbladen onderaan het excel-bestand waarin u de gewenste banne kan selecteren.

bronnenmatrix

bronnenmatrix1

Bijzondere omstandigheden
Reeds is het verschil tussen bannen en stede(n) uiteengezet. Daar zijn ten aanzien van belastingbronnen ook enkele bijzondere situaties van belang, met name bij droogmakerijen. De polderbesturen van deze droogmakerijen inden een aantal belastingen zelf en droegen deze vervolgens af aan het plaatselijk bestuur. Deze polderbesturen zijn niet te verwarren met de polderbesturen die in de negentiende eeuw het licht zagen. Laatstgenoemde besturen zijn formeel van het bannebestuur losgeweekte entiteiten en in praktische zin een voortzetting van een bestaande situatie. Geadviseerd wordt om steeds afzonderlijk de specifieke historische achtergrond van de polders te raadplegen, zie hiervoor de literatuurlijst. Met betrekking tot de bannen gelden de volgende uitzonderingen:

Dampten
Dit was een zogeheten waterstaatkundige banne dat onder het directe bestuur van Hoorn viel. Huizen en landerijen zijn daarom eventueel terug te vinden in onroerengoed-bronnen van deze stad, alhoewel er enkele specifieke leggers bestaan.

Hoog- en Laag Zwaagdijk
Dit was een aparte banne met een eigen bestuur, echter met beperkte bevoegdheden. Belastinginning was een taak van het stadsbestuur van Medemblik. Hoewel er enkele aparte bronnen bestaan is het zaak de Medemblikker leggers en kohieren te raadplegen. Gebruikte namen voor (gedeelten van) dit ´spookdorp´ zijn Lagewech, Swagedijck of Onderdijk. Let op: in de Medemblikker bronnen kunnen deze termen ook gebruikt worden voor huizen en landerijen in de buurt van Hoog- en Laag Zwaagdijk maar binnen de bannegrens van Medemblik.

Oudijk
Net als Dampten was Oudijk een waterstaatkundige banne, zij werd bestuurd door Westwoud.

Meer informatie
Praktische voorbeelden van onderzoek naar het verbinden van fiscale bronnen
Mol, J.A., HISGIS Groningen. Opzet, verrijkingsmogelijkheden en prioriteiten  (Leeuwarden 2010)
Raat, M.,  ‘Meters maken met morgen en roeden. Een inventarisatie van de mogelijkheden tot verbinding van West-Friese prekadastrale en kadastrale percelen’ (Hoorn 2015), gepubliceerd op website Westfries Archief.

Specifieke achtergrond waterbeheer en -organisatie
Kooiman, De zeeweringen en waterschappen van Noordholland (Alphen aan den Rijn 1936).
Bruin, J. de, ‘Een Siamese tweeling: Wervershoof en Hoog- en Laag-Zwaagdijk’, in: De Skriemer (Wervershoof 1998), pp. 45-52.
Idem, ‘Bannen en mannen in de stede Abbekerk. Grondgebied en functionarissen van een Westfriese plattelandsstad’, in: West-Frieslands Oud en Nieuw 62 (1995), 23-46.
Schevenhoven, P.F., Inventaris van de archieven van binnen Drechterland of buiten de Drechterlandse zeedijk gelegen polders (Hoorn 1996).
Idem, Inventaris van de archieven van binnen de Vier Noorder Koggen gelegen polders (Hoorn 1996).
Idem, Inventaris van de archieven van de bannen in de Vier Noorder Koggen (Hoorn 1996).
Idem, Inventaris van de archieven van de bannen in Drechterland (Hoorn 1996).
Idem, Inventaris van het archief van het ambacht van Westfriesland, genaamd Drechterland (1198) 1572-1973 (Hoorn 1996).
Idem, Inventaris van het archief van het ambacht van Westfriesland, genaamd de Vier Noorder Koggen (1296)1532-1973 (Hoorn 1996).

Bestuurlijk-juridische achtergrond bannen en Westfriesland
Bruin, J. de, ‘In de ban van het ambacht’, in: Dwars door de dijk (in voorbereiding, 2016).
Idem, ‘Staatsrechterlijke wanschepsels of grafelijk vernuft? Westfriese plattelandssteden van hun ontstaan tot hun opheffing in 1811’, in: Geschiedenis van Abbekerk en Lambertschaag. Jaarboek 2014 (Abbekerk 2014), 37-43.

Brontechnische achtergrond
Beenhakker, J.J.J.M., Historische geografie: landschap en nederzetting (Zutphen 1989).
Gerding, M.A.W., Dorpsgeschiedenis. Bewoning en bewoners (Zutphen 1992).
Stichting Archief Publicaties, Lexicon van Nederlandse Archieftermen (’s-Gravenhage 1983).
Verhoeff, J.M., De oude Nederlandse maten en gewichten (Amsterdam 1983).

Fiscale achtergrond
Bos-Rops, J.A.M.Y., ‘De kohieren van de gewestelijke belastingen in Holland, 1543-1579’ in: Historisch Tijdschrift Holland 29 (1997) 18-36.
Maanen, R.C.J. van, & N.P.J.M. Bos, Fiscale bronnen. Structuur en onderzoeksmogelijkheden (Zutphen 1993).
Maanen, R.C.J. van, ‘Hollandse vermogensheffingen in de zeventiende en achttiende eeuw’ in: Nederlands Archievenblad 88.1 (1984) 61-72.
Vrankrijker, A.C.J. de, Geschiedenis van de belastingen (Bussum 1969). 

Kadaster
Keverling Buisman, K. & E. Muller, Kadaster-gids. Gids voor de raadpleging van hypothecaire en kadastrale archieven uit de 19e en de eerste helft van de 20e eeuw (’s-Gravenhage 1979).
Kruizinga, P, ‘De kadastrale legger en aanverwante bronnen, 1812-1990’ in: G.A.M. van Synghel (red.), Broncommentaren 3. Bronnen betreffende de registratie van onroerend goed in de negentiende en twintigste eeuw (Den Haag 1997) 17-74. 

Mark Raat, september 2015