De leugen van Trijntje

Trijntje Douwes woonde in het begin van de negentiende eeuw in Schellinkhout. In 1804 en 1805 legde zij een aantal verklaringen af voor de schout van Schellinkhout. Daarin beschuldigde zij haar dorpsgenoten Pieter Kamer en Aaf Jans van een reeks misdrijven. Het hele dorp raakte in rep en roer. Maar uiteindelijk bleek dat Trijntje alles had verzonnen. Zij werd daarvoor zwaar gestraft. Wat had Trijntje dan allemaal verteld? En waarom?

Diefstal en brand
Trijntje Douwes was de werkster van Pieter Kamer en Aaf Jans. Willem van Gulik was hun schoonzoon en de buurman van Trijntje. Willem was weduwnaar, zijn dochtertje werd door Pieter en Aaf opgevoed. De relatie met zijn schoonouders was niet al te best.

In februari 1805 legde Trijntje haar eerste verklaring af over gebeurtenissen in 1804. Pieter Kamer en Aaf Jans zouden haar hebben gevraagd om kleding van Willem van Gulik te stelen. Ook zou Trijntje haar een stuk vergiftigd wittebrood hebben gegeven. Volgens Trijntje bekende Aaf Jans dat ze het wittebrood had vergiftigd. Aaf vroeg aan Trijntje of ze dit stil wilde houden en gaf haar een aantal kledingstukken cadeau.

Daarnaast beschuldigde Trijntje Pieter en Aaf van brandstichting. Ze vertelde dat ze op een avond had gehoord dat Pieter van plan was om het huis van Willem in brand te steken en dat hij hem wilde vermoorden. Een paar dagen later zag Trijntje hem op Willems erf en vond ze zwavelstokken bij zijn hooiklamp. Ook zou Pieter Kamer haar 500 gulden hebben geboden om brand te stichten. Dit weigerde Trijntje.

Willem van Gulik besprak de vondst van de zwavelstokken met de burgemeester. Brandstichting was een ernstige zaak. Daarom werd in augustus 1804 op drie plekken in het dorp een oproep opgehangen: mensen die meer wisten over de zaak moesten zich melden bij de schout. Het zorgde voor veel onrust in het dorp.

In maart 1805 beschuldigde Trijntje Pieter Kamer bovendien van aanranding. Pieter zou haar op een avond bij de keel hebben gegrepen. Vervolgens had Pieter verteld dat ze haar en Willem wilde vermoorden. Pieter bond Trijntje vast, waarna ze het bewustzijn verloor.

Leugenaarster
Maar ook Pieter Kamer en Aaf Jans legden een verklaring af. Zij vertelden dat Trijntje een ‘babbelaarster’ was en ontkenden alle beschuldigingen. Andere getuigen bevestigden dit. Lang kon Trijntje haar leugens niet meer volhouden. In mei 1805 bekende ze dat ze alles had verzonnen. Ze hoopte dat Pieter Kamer in de gevangenis zou belanden en de doodstraf zou krijgen. Waarom ze dat zo graag wilde is niet duidelijk.

De schout eiste een zwaarst mogelijke straf: de doodstraf door wurging. Zo ver kwam het niet. De schepenen veroordeelden haar om tijdens het voorlezen van het vonnis te pronk te staan op een schavot. Op haar borst droeg ze een bord waarop geschreven stond: "Valsche en Meyneedige Beschuldigster". Vervolgens werd Trijntje gegeseld en veroordeeld tot 30 jaar tuchthuis. Daarna zou ze voor eeuwig uit Holland worden verbannen. Ze stierf echter al op 30 april 1809 in het tuchthuis in Alkmaar.

Geselecteerd uit onze collectie
118C16 Piet Boon, Een kijkje in de geschiedenis van Schellinkhout (Hoorn 1977).
100N ‘Westfriezen en hun bestuur en rechtspraak’, in: Ach lieve tijd: West-Friesland, aflevering 7.
1156 Archief van de stede en gemeente Schellinkhout (1450-1970).

 

SR-trijntje1

 

SR-trijntje2

 

SR-trijntje3