Gevangenissen

Vóór 1800 werden vrij weinig gevangenisstraffen opgelegd. Beelden van overvolle middeleeuwse gevangenissen, waar misdadigers op water en brood leven, kloppen niet. Vonnissen bestonden doorgaans uit een lijfstraf en verbanning. Gevangenissen voor het uitzitten van een langdurige straf, zoals de ‘Krentetuin’ op het Hoornse Oostereiland, dateren uit de negentiende eeuw.

Tortuur en verbanning
Tot maart 1811 regelden plaatsen met stadsrechten de rechtspraak over hun eigen rechtsgebied. De schout was verantwoordelijk voor de opsporing en vervolging van misdadigers. Hij deed de verhoren en formuleerde de strafeis. De schepenen stelden uiteindelijk de straf vast. Tijdens een proces zaten beklaagden doorgaans in een gevangenhuis. Op deze regel werd soms een uitzondering gemaakt voor zwangere vrouwen.

Bij verhoren kon marteling of tortuur worden gebruikt. De schout moest hiervoor toestemming vragen aan de schepenen. Een bekentenis gegeven onder tortuur was echter niet zomaar geldig: de verdachte moest de bekentenis ‘buiten pijn en banden van ijzer’ herhalen.

Op zware misdrijven als moord, doodslag en brandstichting stond de doodstraf. Op lichtere vergrijpen stonden lijfstraffen, zoals brandmerken en geseling, vaak in combinatie met tepronkstelling op een schavot. Soms gingen mensen korte tijd op water en brood de gevangenis in. Ook verbanning kwam vaak voor. Een misdadiger mocht dan voor een lange periode niet meer in de stad en haar rechtsgebied, of zelfs in Holland en Westfriesland komen. Straffen werden vaak gecombineerd. Lijfstraffen werden meestal plaats in het openbaar toegediend, maar soms ook binnenskamers. Dat zag men als een lichtere straf. Ook veroordelingen tot een tuchthuisstraf kwamen voor. In Amsterdam stonden een rasphuis en een spinhuis. Daar werden misdadigers te werk gesteld in de hoop hen zo van het slechte pad af te brengen.

Gevangenisstraffen
In de negentiende eeuw veranderde er veel. In 1811, tijdens de Franse Tijd, kwamen kantongerechten en arrondissementsrechtbanken in de plaats van de plaatselijke colleges van schout en schepenen. Er kwam een landelijk wetboek van strafrecht. Het aantal doodstraffen ging omlaag en werd in Wesfriesland voor het laatst uitgevoerd in Hoorn, in 1843. Het aantal gevangenisstraffen ging daarentegen omhoog. Uiteindelijk zijn lijfstraffen en de doodstraf afgeschaft, respectievelijk in 1854 en 1870.

Bestaande gevangenissen waren al snel te klein. Nieuwbouw vond plaats op basis van de aard van de misdrijven en de rechterlijke organisatie. In Hoorn kwam een ‘Huis van Correctie’ op het Oostereiland, de latere ‘Krententuin’. Deze werd geopend op 1 november 1830. De gevangenis heeft jaren geleden haar deuren al gesloten. Het gebouw heeft tegenwoordig een culturele bestemming.

Geselecteerd uit onze collectie
153F13 H. Diederiks, Gevangenen en gevangenis te Hoorn in de negentiende eeuw (Hilversum 1989)
153F19 E. Ubink, Het leven in de gevangenis (z.p. 1988)
100N Jan de Bruin, ‘Westfriezen en hun bestuur en rechtspraak’ in: Ach lieve tijd: West-Friesland aflevering 7
139E7 M. van der Heijden, Huwelijk in Holland: stedelijke rechtspraak en kerkelijke tucht, 1550-1700 (Amsterdam 1998).

Wilt u meer weten over rechtspraak? Doorzoek dan onze collectie.

 

SR-gevangenissen1

 

SR-gevangenissen2

 

SR-gevangenissen3