Hoornse taartarrest

Ruim honderd jaar geleden werd in Hoorn een moord gepleegd met een vergiftigde taart. De taart werd bezorgd bij de familie Markus aan het Grote Oost in Hoorn. De taart was eigenlijk bedoeld voor meneer Markus, maar hij at niet van de taart. Zijn echtgenote en dienstmeisje Grietje Appelman wel. Mevrouw Markus overleed de volgende nacht, het dienstmeisje werd ernstig ziek, maar overleefde. De moord is in juridische kringen nog steeds bekend, omdat die leidde tot een belangrijke uitspraak van de Hoge Raad: het Hoornse Taartarrest van 19 juni 1911.

Twee ruziënde bodes
Willem Markus en Johannes Jacobus Beek waren collega’s. Ze werkten in het gemeentehuis als bode. Ze waren ook marktmeester en waren in die functie belast met het innen van geld voor de jaarmarkten, de weekmarkten en de kermissen. Op een dag vermoedde Willem Markus dat Johannes Beek kermisgeld had achtergehouden. Beek bekende en betaalde het geld terug. Het mocht niet baten. Johannes Beek werd op 17 mei 1907 ontslagen door het college van burgemeester en wethouders.

Volgens Johannes Beek had Willem Markus hem beloofd het voorval niet aan het college te zullen melden. Het ontslag en het verlies van een groot deel van zijn inkomen wakkerden diep haatgevoelens tegen Willem Markus aan. Beek besloot hem te vermoorden. Bovendien hoopte hij dat hij zijn oude baan na de dood van Markus weer terug kon krijgen.

De moord
Bij een zwager, een drogist, kocht Johannes Beek rattenkruid (arsenicum). Op 28 september 1910 ging hij met de trein naar Haarlem, waar hij een taart bestelde bij een banketbakker. Daar stopte Johannes het vergif in. Vervolgens ging hij naar Amsterdam en leverde de taart onder een valse naam bij Van Gend & Loos af. De volgende dag werd de taart bezorgd bij de familie Markus, met de bekende gevolgen.

Dat Johannes Beek een hekel had aan Willem Markus was bekend. Hierdoor kon de politie hem al snel oppakken. Op 4 oktober legde hij een bekentenis af. Hij verklaarde ook dat hij zich van tevoren had bedacht dat ook iemand anders dan Willem Markus van de taart kon eten. Dit laatste bleek uiteindelijk van groot belang.

Voor de arrondissementsrechtbank in Alkmaar eiste de officier van justitie veroordeling wegens moord op mevrouw Markus en poging tot moord op het dienstmeisje. De rechters oordeelden echter dat er slechts sprake was van doodslag en poging tot doodslag. Beek had immers alleen Willem Markus willen vermoorden. Maar in hoger beroep besloot het gerechtshof in Amsterdam anders. Johannes had zich namelijk gerealiseerd dat ook iemand anders dan Willem van de taart kon eten. Desonkdanks had hij de taart laten bezorgen, waardoor mevrouw Markus uiteindelijk om het leven kwam. Het hof veroordeelde Johannes Beek wegens moord en poging tot moord. Deze uitspraak werd op 19 juni 1911 bevestigd door de Hoge Raad en staat nu bekend als het Hoorns Taartarrest. Johannes Beek ging na zijn veroordeling naar de gevangenis in Leeuwarden, waar hij in 1918 overleed.

Geselecteerd uit onze collectie
152A9 Floris Kappelle, Piet Polies en de giftige taart (2004).
140B12 Fred Soeteman, De Hoornse taart en andere rechtsmonumentjes (Raamsdonksveer 2000).
J. de Bruin, ‘Honderd jaar Hoornse taartarrest’, in: Kwartaalblad Oud Hoorn (2011) nr 4, blz 172-175.

Wilt u meer weten over het Hoornse Taartarrest? Kijk dan in het procesdossier over deze zaak. Het dossier ligt in het Noord-Hollands Archief, Archief gerechtshof Amsterdam, arrest 1911/7977-7978.

 

SR-taart1

 

SR-taart2

 

SR-taart3